Tag Archives: Namibië

Enjoying freedom

Media_httpfarm1static_ijftd

Vanmorgen nog eens door de foto’s van Namibië gegaan. Plots lijkt 2007 ongelofelijk lang geleden en vraag ik me af of dat beertje van Filip nog steeds op dat blik bonen naar de zonsondergang zit te kijken ergens langs de C13 tussen Helmeringhausen en Aus, aan het genieten van z’n vrijheid.

Dag 11: zaterdag 28/4 Lüderitz – Uppington

We kunnen dus niet veel anders doen dan een hele dag rijden. Roy trekt nog even de stad in ’s morgens, ik ook nadat ik uit de douche kom, want ik wil nog even een paar kaartjes posten, voor een paar verjaardagen. (en naar Katrien en Sam, verstuurd met naast dokter Van Dijck als adres, zoals gewoonlijk, is dat trouwens aangekomen?) Het postkantoor gaat spijtig genoeg pas om 8 uur open dus heb ik zoals ik al een beetje verwacht had nog wat tijd om rond te dalken. Als ik voor 2 sta naar (links) de haven en naar (rechts) het strand, sla ik af naar links en blijkbaar maak ik daarmee de juiste keuze want Roy was naar rechts gegaan en heeft heel weinig oceaan gezien, terwijl ik op prachtig vanop de rotsen over de baai uit kan kijken. Daar moet ik wel bij zeggen dat ik het mooiste zicht heb als ik op een bouwwerf (villa in de baai) sta. Daar moet ik dan weer bij zeggen dat dat de plaats is waar “Hét voorstel” (zij die het moeten kennen, weten waarover ik het heb) nog net iets meer vorm krijgt, namelijk de Red Bull-poot. (“Hét voorstel” heb ik trouwens in Karibib al geopperd en ik heb het er met Filip even over gehad in het café met die lelijke wijven waar we touche bij hadden) Na het postkantoor, keer ik terug naar onze slaapplaats, waar ik nog net op tijd ben om ontbijt te krijgen. We gooien alles in de koffer en vertrekken voor een dagje kilometervreten…

De koude zeewind volgt ons echt het land in. Zelfs als we zeker al een paar honderd kilometer ver zijn, voelen we hem nog in onze rug. We rijden over de Fish River. De eerste rivier die we zien waar water instaat. (dat dan nog niet eens stroomt) Er zit trouwens ook minstens één vis in, dus de naam klopt al, waarschijnlijk is die dan ook met een zeker deutscher Gründlichkeit gegeven. Spijtig genoeg hebben we geen tijd om tot de Fish River Canyon te rijden, de tweede of derde grootste canyon ter wereld. We karren maar weer een eind verder en stoppen even om te tanken. (in Namibië is het heel belangrijk om op tijd te tanken, net als in Botswana en we hebben geen zin om zonder naft te vallen) En we rijden verder…

We komen aan in Ariamsvlei. Hier zie je de luiheid van de Namibiërs (of nog een staaltje van deutscher Gründlichkeit) Ariamsvlei is het laatste dorp voor de grens. Het ligt wel 16 km van de grens. Toch is hier de grenspost. We laten de nodige stempels zetten en rijden door een stukje “niemandsland” tot we bij de grens met Zuid-Afrika komen.

Weer de nodige stempels en nu wordt, voor het eerst in de hele trip, de auto gecontroleerd. We moeten de koffer opengooien. Omdat dat dingen zo stoffig is vragen ze of wij geologen of zo zijn, dat zijn we niet, prettige reis verder, bye bye. 146 km niets in het donker. We komen in Uppington aan en moeten nog op zoek naar een slaapplaats. We besluiten om toch maar in de stad zelf te slapen en niet op de camping buiten de stad aangezien ik de volgende morgen vroeg moet opstaan en Roy en Filip dan snel terug in bed kunnen kruipen als ze mij hebben afgezet. Eerst gan we nog even eten. Roy en Filip eten voor het eerst in hun leven Kentucky Fried Chicken (ok, voor mij was het ook nog maar de derde keer).We rijden naar een B&B aan de rivier, kijken nog wat TV en hupsakee:

Tijd om dodokes te doen…

Je kan de Namibische reisposts ook chronolosch lezen, dat lijkt logischer.

Dag 10: vrijdag 27/4 Sossusvlei – Lüderitz

Ik wordt als eerste wakker (en heb blijkt later ook het best geslapen) en ga al even naar de winkel om voor ontbijt te zorgen. Ik krijg een doosje lucifers van de “buurvrouw” en zet water op voor de koffie. Filip wordt na een tijdje wakker en een tijdje later is Roy ook terug onder de levenden. We pakken onze spullen bij mekaar, rekenen af, gooien de naftbak vol en vertrekken. Op naar Lüderitz. Hoewel het recht onder Sossusvlei ligt (het ligt zelfs nog dichter bij de kust) moeten we eerst terug een heel eind het binnenland in om dan een eind naar het Zuiden te rijden. We kiezen weer voor gravel, hoewel onze rechterachterband er hoe langer hoe erger begint uit te zien. Hij staat namelijk in een net iets andere hoek dan de andere banden. We rijden met de ramen op z’n minst op een spleet, want Roy en Filip roken allebei. Op gravelweg nummer 3 nemen we even pauze. We hangen allemaal zwaar onder het stof, niet te doen en poseren dan maar even als oude ventjes.

Een eind verder, in Helmeringhausen gaan we tanken en naar de winkel. Het dorp bestaat uit 5 huizen, waarvan 3 winkels (één doet ook dienst als tankstation) en een hotel dat recht uit een tirolerfilm komt. In de winkel kunnen we het niet meer houden van het lachen. Niet om de winkel of om het kleine dorpje, maar gewoon omdat we er allemaal zo stoffig uitzien. De mensen in de winkel snappen ook niet goed wat er gebeurt, maar doen gewoon vrolijk mee.We vertrekken terug, richting Aus. We rijden over een gravelroad die ze aan het heraanleggen zijn, dus loopt er midden over de weg een grote hobbel, van het puin dat nog naar de andere kant rechtgetrokken moet worden. Maar die weg is zo stoffig dat we echt moeten stoppen, want Roy die achterin zit, stikt bijna van het stof dat naar binnen gezogen wordt. Later, en niet voor het eerst, zien we dat de koffer weer vol stof zit. (er zit trouwens nog steeds stof op de Big Black Box, ik laat het er vrolijk ophangen en heb zelfs even overwogen om het te fixeren met haarlak)

Al zijn het gravelroads, ze worden wel goed onderhouden. (da’s het verschil met Zuid-Afrika: tijdens de Apartheid vooral zijn bijna alle wegen geasfalteerd, maar ze worden niet onderhouden, dus rijd je van de ene pothole in de andere) Bij het nuttigen van onze kop zonsondergangkoffie, nemen we ook nog een paar foto’s met het beertje en een leek blik groenten, omdat ik het wel een desolate omgeving vond. Spijtig genoeg vergeten we het beertje. Nu is de kans vrij groot dat het er nog ligt, aangezien Namibië zo’n kleine bevolking heeft op zo’n immense oppervlakte, dus als je ooit over de C13 tussen Helmeringhausen en Aus rijdt, let dan op of je nergens een beertje op een blikje op een weipaal ziet zitten en neem het mee voor Filip. Hij is trouwens van plan om er een website over te maken. (laat maar weten of die al on-line staat dan zet ik de link erbij)

 

De zonsondergang is voorbij en de koffie op dus rijden we verder in het donker. Na een tijdje komen we op een geasfalteerde weg terecht en aangzien de Namibische kaarten niet helemaal te vertrouwen zijn komen we uiteindelijk via en omweg in Aus terecht waar we nog net avondeten kunnen kopen in het tankstation/winkel. Voor het eerst in m’n leven eet ik ‘pie’, door de winkelier vriendelijk opgewarmd in de microgolf.Ik had die op’t werk namelijk al zien leggen en zelfs al voor anderen mee gebracht van de cafetaria, maar zelf nog nooit geprobeerd. Uiteindelijk valt zo’n vleestaart nog mee. (vandaag heb ik er trouwens nogeen gegeten) We cruisen maar wat verder over de grote baan, door een gebied met wilde paarden dus uitkijken geblazen. Na een tijdje komen we afwisselend bordjes met “wind” en “sand” tegen. Lüderitz is berucht voor z’n zandstromen. Als er een sterke aflandige wind staat kan je geen hand meer voor ogen zien. Er zijn zelfs foto’s van auto’s die letterlijk gezandstraald zijn. Zwarte auto’s die helemaal grijs uitslaan en roze auto’s die ‘vroeger’ rood waren. Maar goed er staat niet al teveel wind en we komen bijna in Lüderitz aan. We weten de naam van een backpackers en vragen de weg aan een zwarte. Hij brengt ons naar een andere backpackers, waarschijnlijk voor de fooi van de eigenaar, want hij gaat met de nachtwaker naar binnen. Wij kunnen crashen in een familie backpacker met Asterix & Obelix-thema.Voor we onder de wol kruipen bedenken we dat we nog even de rest van onze reis moeten plannen. Dan beseffen we dat het al vrijdag is en dat we dus nog maar één dag hebben om in Uppington te raken, waar ik op zondagochtend de bus op moet kruipen. 579 km tot aan de grens en dan nog 146 km erbij…

Je kan de Namibische reisposts ook chronolosch lezen, dat lijkt logischer.

Dag 9: donderdag 26/4 Sossusvlei

De volgende morgen besluiten we om toch maar een ander plaatsje te zoeken, want we liggen niet zo tactisch en er zijn veel mooiere en beschuttere kampeerplekjes zo op het eerste zicht. Terwijl Roy wat aan het rondwandelen is op zoek naar een plekje, vinden Filip en ik ook een mooi stekje.We besluiten om alles naar daar te verhuizen (vooral omdat de auto daar ook uit het zicht onder een boom staat) om Roy te doen verschieten. Als we de auto hebben verhuisd zien we dat hij net terugkomt, we bespieden hem even vanachter een struik, maar gaan er dan toch maar naartoe. Hij heeft een paar plekjes gevonden, maar vindt het onze ook wel goed, dus verhuizen we ook de tent en installeren we ons opnieuw. Even naar de winkel, ontbijten en hup de Sesriem Canyon in. Uitgesleten door het water, terug gevuld met sediment en dan opnieuw uitgesleten en ondertussen al ongelofelijk lang terug droog.

Een beige omgeving met grotten en inhammen, lagen keien ingeperst tussen (zand)steen. In de namiddag trekken we naar Sossusvlei. Je rijdt door een dorre vlakte met struikgewas die langs beide kanten is afgezoomt met rode duinen. Roy en ik beklimmen Duin 45 (Filip moet het na een paar meter opgeven en besluit om beneden te blijven en foto’s te trekken).

Duin 45 dankt zijn naam aan een project om de duinen in kaart te brengen en wordt door veel toeristen ’s morgens bezocht om de zonsopgang te zien. Per toeval ligt hij ook op ongeveer 45 km van het begin van de weg op de camping. We rijden tot het einde van de geasfalteerde weg, parkeren de auto en trekken te voet verder.

De dode bomen van Deadvlei zullen we nooit zien. De weg die we nog moeten afleggen is te lang en we moeten op tijd het park uitzijn, dus vertrekken we, na hout gesprokkeld te hebben, terug naar de camping. We steken weer een kampvuurtje aan, halen nog wat bier in de bar en “genieten” van een kom soep en een portie noodles. Midden in de nacht begint het te motregenen of misschien beter gezegd, wordt de mist zo dicht dat hij neervalt. Roy kruipt in de auto, en Filip ook na een tijdje want door de gaten in z’n slaapzak (er zijn gensters van het kampvuur op gesprongen) is die helemaal doorweekt door het water.

Je kan de Namibische reisposts ook chronolosch lezen, dat lijkt logischer.

Dag 8: woensdag 25/4 Windhoek – Sossusvlei

Tijd om op te staan! Ontbijten, even tanken, even een plaats gaan reserveren op de bus van Uppington naar Jo’burg, even naar de bank en we zijn ermee weg. We rijden even terug richting Botswana om dan resoluut naar links af te slaan en voor gravel te kiezen. We rijden naar Arnhem Caves, de langste grottenformatie ter wereld. We komen aan bij een paar leegstaande bungalows, een leegstaande bar en een leegstaand huis. We kijken een beetje rond, maar er is echt geen levende ziel te bekennen op de kippen na. We beproeven dan maar ons geluk op het pad naast de afrastering. Nadat we 2 struisvogels hebben gezien geven we dat ook maar op want we worden geconfronteerd met een immense plas waar we met onze Toyota Corolla nooit doorkunnen. Dan rijden we maar verder naar Sossusvlei. Een beetje voorzichtiger, want er is precies iets mis met de remmen. We moeten een stukje terug en hebben dan een beetje moeite om de juiste gravelroad te vinden (kaarten zijn echt niet alles in Namibië), maar zitten uiteindelijk toch op de juiste weg naar Dorbabis. Onderweg komen we nog het half afgekloven skelet van een paard of zo tegen. We nemen er een hoop foto’s van, vooral het knuffeltje van Filip, dat overal met hem mee naartoe reist wordt zowat overal in het kreng geplaatst. Na een tijdje is de lol er toch een beetje af en rijden we verder naar Dorbabis. Ik denk dat ze daar nu nog over ons aan het praten zijn. We komen daar aan in het dorp, gaan veiligheidshalve tanken en slaan meteen ook maar wat voedsel in. Als we willen vertrekken komt er een zwarte aan met een stel gebeitste en verniste takken die hij aan ons wil verkopen als tafelversiering of zo. Na een tijd kunnen we hem er toch van overtuigen dat we geen plaats hebben in de auto voor die vreemde dingen en we vertrekken terug. Iets verder komen we in een kudde schapen terecht net voor we de (droogstaande) rivier schaap oversteken. Na een tijdje rijden we terug over een gepekte weg, maar daar moeten we nog trager rijden dan op de gravelroads, want de weg ligt vol met flessenglas, levensgevaarlijk voor onze banden. We rijden de snelweg terug op om hem in het volgende dorp al terug te verlaten en terug de gravel op te sjeezen. We zijn duidelijk op weg naar iets toeristisch, want als we stoppen voor ons kopje zonsondergangkoffie rijdt de ene na de andere toeringcar voorbij. Wij zetten onze reis ook verder, moeten in het pikkedonker een bergpas doen en weten dan weer niet helemaal zeker of we juist zitten. In Namibië kan je er meestal vanuit gaan dat je niet verkeerd zit, omdat er zo weinig wegen zijn dat je er moeilijk één kan missen, maar als je er één mist ben je nog veel verder van huis natuurlijk (en vooral van een bed). We zitten op de juiste weg. We stoppen even om de benen te strekken (om er later achter te komen dat er eigenlijk wel stevig wild vrij rondloopt dat ons met gemak had kunnen opvreten). Uiteindelijk komen we aan op de camping van Sesriem. Probleem: eigenlijk zijn de poorten van de camping al dicht, maar de (licht) mentaal gehandicapte bewaker wilt ons voor een fooi wel binnenlaten. We parkeren ons ergens, zoeken wat hout voor een vuur en drinken nog iets. Aangzien rijden toch vrij vermoeiend is, kruip ik zoals gewoonlijk als eerste in mijn slaapzak.

Je kan de Namibische reisposts ook chronolosch lezen, dat lijkt logischer.

Dag 7: dinsdag 24/4 Waterbergplateau – Windhoek

Als ik ’s morgens wakker wordt, is Roy al druk in de weer met statief en fototoestel. Als iedereen goed en wel wakker is en het ontbijt volledig verteerd trekken we er te voet op uit. Waterbergplateau heeft namelijk ook een aantal wandelroutes waarop je “wild” kan spotten. Wild kan je hier wel met een stevige korrel zout nemen: de eerste route is de mierenhooproute en daarna komen nog de boomroute en de vogelroute.

Maar Waterbergplateau heft z’n naam ook ergens vandaan: de camping ligt namelijk aan de voet van een plateau en terwijl we wandelen komen we uiteindelijk bovenop het plateau terecht. We hebben net foto’s genomen van een soort lemming terwijl we aan het klauteren waren over de rotsblokken.

We mogen niet verder zonder gids, dus braaf als we zijn lopen we langs de afgrond tot we een Duits koppel tegenkomen die naar de apen zitten te kijken. De vrouw is ongelofelijk bang, maar wij niet, dus gaan we dichter bij de kloof waar de apen inzitten. De apen zitten eigenlijk een beetje onder elkaar te ruziën lijkt het en na een tijdje gaan de twee groepjes uit elkaar. We kijken nog wat verder rond en vertrekken dan terug naar beneden. We gaan langs de andere kant rond zodat we bij het zwambad uitkomen. Filip en Roy nemen een frisse duik, maar ik houd het toch maar bij een voetbad. Een beetje later komen de Duitsers er ook bijzitten en een half uurtje later vertrekken we terug naar de camping om onze spullen bijeen te pakken. We gaan namelijk niet blijven om met een safari-trip mee te rijden, we vertrekken naar Windhoek om op woensdag verder te rijden naar de rode duinen van Sossusvlei. Deze keer hebben we meer geluk/: The Chameleon Backpackers heeft nog wel 3 plaatsen vrij in de dorm. We laden onze spullen uit, nemen een douche en vertrekken naar The Beer House: een aanrader volgens Marie. Het wild is er inderdaad lekker zoals Marie had gezegd, maar de bierkelder die we verwachtten is er niet echt: een paar lokale bieren, een paar Zuid-Afrikaanse, een Iers, een Duits en dat is het. De meeste café’s in Jo’burg hebben meer bieren. Maar goed, we hebben lekker gegeten en kruipen dan maar in onze nest.

Je kan de Namibische reisposts ook chronolosch lezen, dat lijkt logischer.

Dag 5: zondag 22/4 Swakopmund – Karibib

We proberen Werner, met wie we zouden gaan haaienvissen, vruchteloos te bereiken. We rijden langs Long Beach, waar Angelina Jolie haar koter heeft geworpen, naar Walvisbaai. In Walvisbaai is eigenlijk niet zoveel te zien.

We rijden er een beetje rond dissecteren een kwal en nemen een paar foto’s van de zoutmijn, terwijl we ondertussen nog een paar keer naar Werner proberen te bellen. De volgende dag zal blijken dat Werner niet alleen uit de buurt van zijn GSM was tijdens het haaienvissen, maar ook een beetje pissed omdat we hem ’s zaterdags niet gebeld hadden. Na inkopen te doen in Swakopmund vertrekken we dan maar terug richting Karibib. Ik krijg een donkerbruin vermoeden dat die rots naast de weg wel een heel verleidelijk punt is om een flitscamera achter te steken, dus rijden we maar 2500 toeren in 5de terwijl we vriendelijk naar meneer de agent lachen. We besluiten om nog even naar Spitzkoppen te rijden, alleen zijn we op dat moment al de zijweg en moeten we een goed punt vinden om terug te kunnen draaien. We rijden even rodn in Spitzkoppen en zien dan de ultieme zonsondergangplaats. We stoppen de auto (parkeren is veel gezegd) en beklimmen een paar stevige brokken graniet, zwaar gepolijst door de eeuwen heen, met een gasvuur, een aantal mokken en koffie!!! We hebben echt de perfecte plaats gekozen om de zon te zien ondergaan tussen twee bergen. Door het donker naar huis en dan gaan slapen, want op maandag moeten we fris en monter zijn om de mijn te bezoeken.

N.B. De foto’s op Filip’s Flickr

Je kan de Namibische reisposts ook chronolosch lezen, dat lijkt logischer.

Dag 4: zaterdag 21/4 Karibib – Swakopmund

We hadden besloten om buiten te slapen. Karibib ligt niet in Malaria-gebied dus is het niet gevaarlijk om buiten te slapen en het ligt tussen de keerkringen, dus warm genoeg. Na genoten te hebben van de sterren en de zonsopgang gaat Roy even lopen en rijd ik, samen met Marie naar de supermarkt. We slaan proviand voor een stevig ontbijt en onderweg en nadat we alles bijeen hebben geraapt en hebben ontbeten, vertrekken we naar Swakopmund. Nog even stoppen om een SIM-kaart te kopen, om toch een beetje ontvangst te hebben in Namibië, want niemand van ons heeft roaming. Een paar 100 km later komen we aan in Swakopmund, waar de Swakop in de Atlantische Oceaan uitmondt. Spijtig genoeg heeft Namibië maar 1 rivier die het hele jaar stroomt en dat is niet de Swakop, dus is uitmonden in dit droge seizoen niet echt letterlijk te nemen.Als we uitstappen komen we toevallig de baas van Marie tegen (Namibië blijft een kleine wereld) en we kuieren even over het strand.

Swakopmund is één van de spannendste plaatsen van Namibië, er valt namelijk iets te beleven. Je kan er namelijk haaienvissen, quadrijden in de duinen, parachutespringen in de duinen, ballonvaarten doen over de duinen en alle andere dingen die je met duinen kan bedenken. Rond Swakopmund liggen namelijk “een aantal duinen”, ook bekend als de Namib Woestijn. De Namib woestijn en (zijn Zuid-Amerikaanse tegenhanger) de Atacama zijn de oudste woestijnen van de wereld. De reden van hun ontstaan is een koude zeestroom, in het geval van de Namib, de Atlantische Oceaan. Die zorgt ervoor dat grote stukken van de woestijn constant met mist bedekt zijn en die momenten dat het niet zo is, ongenadig beschenen worden door de koperen ploert. Omdat de grond te arm en te zout is, groeit er praktisch niets. Wij hebben er eens doorgecruised met quads, bangelijk om te doen.

Na ons tripje twijfelen we nog even of we naar decollega van Marie zouden rijden met wie we dat weekend gaan haaienvissen, maar met het idee dat we zondag nog tijd genoeg zullen hebben, besluiten we om in de duinen te zitten en naar de zonsondergang te kijken. Als we bovenop een duin zijn aangekomen (we hebben het hier over woestijduinen, de Hoge Blekker is er niks tegen), krijgen we toch de indruk dat onze inspanningen voor niets zijn geweest. Niet alleen staat er ongelofelijk veel wind, wat het verwarmen van water voor ons taske zonsondergangkoffie danig bemoeilijkt, maar is de zee ook nog eens in een dichte mist gehuld, wat geen probleem zou zijn bij de Indische Oceaan, maar bij de Atlantische Oceaan de kans op een vette-zonsondergang-te-zien-vanop-het-Afrikaans-continent toch drastisch vermindert. We genieten desalniettemin van een kop koffie en de zon die daalt in de mist en rijden terug naar Swakopmund-centrum op zoek naar een B&B en avondeten. (even een opmerking tussendoor: niet alleen ligt Namibië een pak dichter bij de evenaar, de tijdzone komt ook net is realistischer overeen met de zonnetijd, waardoor het iets na zessen toch meestal al donker is). Een slaapplaats is snel gevonden: Villa Wiese, vlakbij het oude station.

Eten is een ander paar mouwen. Marie kent nog een gezellig restaurantje, maar daar is geen plaats meer, we trekken wat door de stad, maar gaan uiteindelijk toch terug naar het restaurantje van Marie om er aan de toog te wachten tot er wel plaats voor ons is in de herberg.

N.B. De foto’s op Filip’s Flickr

Je kan de Namibische reisposts ook chronolosch lezen, dat lijkt logischer.

Dag 3: vrijdag 20/4 Windhoek – Karibib

’s morgens laten we Windhoek achter ons. Filip heeft nog even een nieuwe slaapzak gekocht- hij had het nogal koud gehad aan de grens met Botswana- en de juiste gastankjes – we hadden namelijk het verkeerde formaat bij (ik was ze niet gaan halen, wil ik hier even bij vermelden, want ik weet hoeveel verschil daarop zit). We rijden naar het Daan Viljoen Park, een natuurgebied op een steenworp van Windhoek. We wagen ons hier aan een kleine wandeling in de vrije natuur, genietn nog even van een ijsje en vertrekken naar Karibib.

Over gravel.

We kiezen er namelijk voor om niet de snel weg te nemen, maar 2 C-wegen (B zijn de snelwegen, C verhard of gepekt, D verhard, F “farmroads”ofte privéwegen) langs een klein vervallen huisje dat ooit een buitenpost van het Duitse leger in Namibië was, waar de soldaten die teveel gezopen hadden naartoe gestuurd werden.

Tegen zonsondergang hebben we net bergpas achter de rug als we een stel pilaren zien voorbijwandelen. 2 Giraffen, zomaar in het wild, niet in een natuurreservaat of niks. We beseffen plots dat we 4 heel verschillende beelden rond on hebben: achter ons een bergpas, links een vette zonsondergang aan een heldere hemel, voor ons 2 giraffen in de Kalahari en rechts een vette regenstorm. Nog een hoop kilometers te gaan, dus als de dagtaak van de zon erop zit en ze de maan kan beginnen beschijnen vertrekken we terug. Eerst door de storm en als we die zeker gepasseerd zijn stoppen we voor een kopje koffie. De eerste kop in een reeks avondlijke kopjes. Terwijl we genieten van de sterren komt er plots een bakkie (pick-up) aangereden. Ik zet snel even de “dubbele pinkers” aan om ons een beetje zichtbaar te maken, waardoor de bestuurder denkt dat we in de problemen zitten en stopt. We gebaren dat er niks aan de hand is en vertrekken iets later zelf ook terug. We zitten op 14 kilometer van Karibib zien we aan de kant van de weg, dus ik trap hem even op z’n staart, voor zover dat veilig is ’s nachts tussen de wildhekken en een beetje later komen we in mijnstadje (met de nadruk op “je”, 700 inwoners) Karibib aan. We zoeken Marie op en drinken er ene in de countryclub waar zij woont. Dan trekken we naar een café in het dorp, het enige met een gemengd cliënteel: Namibië is onafhankelijk geworden voor het einde van de Apartheid, heeft het systeem onmiddellijk afgeschaft, maar heeft dus ook die omwenteling niet meegemaakt. Apartheid bestaat hier niet, maar in het ene café zie je geen blanken, in het andere geen zwarten. (het stadje is te klein voor 2 winkels, dus in de “Minimark” zie je iedereen) Na het “gemengde” café wippen we nog even binnen in het “blanke” café. Aangezien we door de schaarse vrouwen als nieuw/jong vlees worden gezien hadden we waarschijnlijk weinig moeite moeten doen om ook letterlijk binnen te wippen, maar om het met de woorden van onze paus te zeggen “geef mijn portie maar aan Fikkie”. Marie had aan Filip gevraagd om Belgisch bier mee te brengen uit Jo’burg (in Namibië bijna niet te vinden), maar we zijn het vergeten te gaan kopen en Filip besluit dan maar om een rondje shooters te geven om het goed te maken.

N.B. De foto’s op Filip’s Flickr

Je kan de Namibische reisposts ook chronolosch lezen, dat lijkt logischer.

Dag 2: donderdag 19/4 Botswana Border – Windhoek

Na een de nodige stempels en controles rijden we Botswana binnen. We draaien meteen de Trans Kalahari Highway op en na een paar kilometer zien we een bord “Next Ultra Stop 378 km”. Een paar kilometer lang discussiëren we (misschien is er nog wel een ander tankstation dan die Ultra Stop), maar besluiten toch het zekere voor het onzekere te nemen en naar de grens terug te keren op zoek naar een tankstation. Daar is een taxichauffeur zo vriendelijk om ons te begeleiden naar het dichtstbijzijnde tankstation, blijkbaar een paar 100 meter voorbij de oprit van de Trans Kalahari Highway. Eerst denken we dat hij het voor een fooi doet, maar al gauw blijkt dat hij andere motieven had: ooit heeft hij een briefje van 10 Mark gekregen van een klant en aangzien wij er nogal buitenlands uitzien zou hij het met ons willen ruilen zodat wij het later opnieuw kunnen ruilen en iedereen content is. We leggen hem uit dat de Duitse Mark nu toch al een tijdje afgeschaft is als betaalmiddel en dat wij het ook nergens zullen kunnen wisselen. Na het tanken vliegen we de snelweg op, het hele douane- en tankgebeuren heeft ons toch meer dan 2 uur gekost. Nu is snelweg misschien toch wel een groot woord. Om te beginnen moet je weten dat het hele traject nog maar geasfalteerd is sinds december 1997. In iedere richting is er één rijvak en de snelweg gaat dwars door of rakelings langs dorpen, waar je dan moet afremmen tot 80 of zelfs tot 60 km per uur. (60km/u geldt in grote delen van Afrika als de maximumsnelheid in de bebouwde kom) Dat afremmen moet je soms ook op andere punten doen, waar geen dorp of stad te zien is, bijvoorbeeld als je een dal inrijdt of voorbij een groot rotsblok. Misschien heeft Botswana maar een flitscamera, maar wij zijn die tegengekomen. Op een bepaald moment, we reden een kleine 135 km per uur (3500 toeren in 5de, kilometerteller stuk, dus de autoeigenaar weet ook niet precies hoeveel kilometers wij hebben gedaan), knipperen de tegenliggers met hun lichten. Een beetje verder staat een bord 80, maar mijn frank valt te laat en op het moment dat we worden geflitst rijden we nog 115. Ik mag het als bestuurder natuurlijk uitleggen bij de politie. De boete: 300 pula, ongeveer 40 euro, vrij schappelijk als je 35 km te hard rijdt. Probleem: geen pula’s en zelf ook te weinig randen op zak. Ik probeer aan de agent uit te leggen dat ik even naar mijn maten ga om samen te leggen, zegt hij dat ze sowieso ook geen randen aannemen en of er niks te regelen valt. Ik denk “dan zal ik die 150 rand hier maar snel aan die agent geven”, maar nee, onze schuld is gewoonweg kwijtgescholden! Hij gaat naar zijn superieur, legt hem uit dat wij op doorreis zijn naar Windhoek, geen pula’s bijhebben, niet zullen terugkomen langs Botswana en het is ok! De rest van de rit is nogal makkelijk samen te vatten: tanken halverwege Botswana, Roy neemt het stuur over en ik probeer nog wat te slapen, tanken net voor we Botswana uitrijden, ik neem het stuur terug over (om het pas 11 dagen later terug af te staan aan Roy) en we rijden Namibië binnen net voor zonsondergang.


Rond 10 uur ’s nachts komen we aan in Windhoek aan en gaan we op zoek naar een backpackers waar we willen overnachten. Die is volzet (gelukkig kunnen we er op onze 2de doortocht in Windhoek wel overnachten) en uiteindelijk overnachten we in Daniel’s Guesthouse, bij een zwitser die naar Namibië is verhuisd om er te werken als leerlooier te werken en na een paar jaar het Guesthouse heeft gekocht waar hij zelf in het begin heeft overnacht.
N.B. De foto’s op Filip’s Flickr

Je kan de Namibische reisposts ook chronolosch lezen, dat lijkt logischer.