Tag Archives: Sossusvlei

Dag 10: vrijdag 27/4 Sossusvlei – Lüderitz

Ik wordt als eerste wakker (en heb blijkt later ook het best geslapen) en ga al even naar de winkel om voor ontbijt te zorgen. Ik krijg een doosje lucifers van de “buurvrouw” en zet water op voor de koffie. Filip wordt na een tijdje wakker en een tijdje later is Roy ook terug onder de levenden. We pakken onze spullen bij mekaar, rekenen af, gooien de naftbak vol en vertrekken. Op naar Lüderitz. Hoewel het recht onder Sossusvlei ligt (het ligt zelfs nog dichter bij de kust) moeten we eerst terug een heel eind het binnenland in om dan een eind naar het Zuiden te rijden. We kiezen weer voor gravel, hoewel onze rechterachterband er hoe langer hoe erger begint uit te zien. Hij staat namelijk in een net iets andere hoek dan de andere banden. We rijden met de ramen op z’n minst op een spleet, want Roy en Filip roken allebei. Op gravelweg nummer 3 nemen we even pauze. We hangen allemaal zwaar onder het stof, niet te doen en poseren dan maar even als oude ventjes.

Een eind verder, in Helmeringhausen gaan we tanken en naar de winkel. Het dorp bestaat uit 5 huizen, waarvan 3 winkels (één doet ook dienst als tankstation) en een hotel dat recht uit een tirolerfilm komt. In de winkel kunnen we het niet meer houden van het lachen. Niet om de winkel of om het kleine dorpje, maar gewoon omdat we er allemaal zo stoffig uitzien. De mensen in de winkel snappen ook niet goed wat er gebeurt, maar doen gewoon vrolijk mee.We vertrekken terug, richting Aus. We rijden over een gravelroad die ze aan het heraanleggen zijn, dus loopt er midden over de weg een grote hobbel, van het puin dat nog naar de andere kant rechtgetrokken moet worden. Maar die weg is zo stoffig dat we echt moeten stoppen, want Roy die achterin zit, stikt bijna van het stof dat naar binnen gezogen wordt. Later, en niet voor het eerst, zien we dat de koffer weer vol stof zit. (er zit trouwens nog steeds stof op de Big Black Box, ik laat het er vrolijk ophangen en heb zelfs even overwogen om het te fixeren met haarlak)

Al zijn het gravelroads, ze worden wel goed onderhouden. (da’s het verschil met Zuid-Afrika: tijdens de Apartheid vooral zijn bijna alle wegen geasfalteerd, maar ze worden niet onderhouden, dus rijd je van de ene pothole in de andere) Bij het nuttigen van onze kop zonsondergangkoffie, nemen we ook nog een paar foto’s met het beertje en een leek blik groenten, omdat ik het wel een desolate omgeving vond. Spijtig genoeg vergeten we het beertje. Nu is de kans vrij groot dat het er nog ligt, aangezien Namibië zo’n kleine bevolking heeft op zo’n immense oppervlakte, dus als je ooit over de C13 tussen Helmeringhausen en Aus rijdt, let dan op of je nergens een beertje op een blikje op een weipaal ziet zitten en neem het mee voor Filip. Hij is trouwens van plan om er een website over te maken. (laat maar weten of die al on-line staat dan zet ik de link erbij)

 

De zonsondergang is voorbij en de koffie op dus rijden we verder in het donker. Na een tijdje komen we op een geasfalteerde weg terecht en aangzien de Namibische kaarten niet helemaal te vertrouwen zijn komen we uiteindelijk via en omweg in Aus terecht waar we nog net avondeten kunnen kopen in het tankstation/winkel. Voor het eerst in m’n leven eet ik ‘pie’, door de winkelier vriendelijk opgewarmd in de microgolf.Ik had die op’t werk namelijk al zien leggen en zelfs al voor anderen mee gebracht van de cafetaria, maar zelf nog nooit geprobeerd. Uiteindelijk valt zo’n vleestaart nog mee. (vandaag heb ik er trouwens nogeen gegeten) We cruisen maar wat verder over de grote baan, door een gebied met wilde paarden dus uitkijken geblazen. Na een tijdje komen we afwisselend bordjes met “wind” en “sand” tegen. Lüderitz is berucht voor z’n zandstromen. Als er een sterke aflandige wind staat kan je geen hand meer voor ogen zien. Er zijn zelfs foto’s van auto’s die letterlijk gezandstraald zijn. Zwarte auto’s die helemaal grijs uitslaan en roze auto’s die ‘vroeger’ rood waren. Maar goed er staat niet al teveel wind en we komen bijna in Lüderitz aan. We weten de naam van een backpackers en vragen de weg aan een zwarte. Hij brengt ons naar een andere backpackers, waarschijnlijk voor de fooi van de eigenaar, want hij gaat met de nachtwaker naar binnen. Wij kunnen crashen in een familie backpacker met Asterix & Obelix-thema.Voor we onder de wol kruipen bedenken we dat we nog even de rest van onze reis moeten plannen. Dan beseffen we dat het al vrijdag is en dat we dus nog maar één dag hebben om in Uppington te raken, waar ik op zondagochtend de bus op moet kruipen. 579 km tot aan de grens en dan nog 146 km erbij…

Je kan de Namibische reisposts ook chronolosch lezen, dat lijkt logischer.

Dag 9: donderdag 26/4 Sossusvlei

De volgende morgen besluiten we om toch maar een ander plaatsje te zoeken, want we liggen niet zo tactisch en er zijn veel mooiere en beschuttere kampeerplekjes zo op het eerste zicht. Terwijl Roy wat aan het rondwandelen is op zoek naar een plekje, vinden Filip en ik ook een mooi stekje.We besluiten om alles naar daar te verhuizen (vooral omdat de auto daar ook uit het zicht onder een boom staat) om Roy te doen verschieten. Als we de auto hebben verhuisd zien we dat hij net terugkomt, we bespieden hem even vanachter een struik, maar gaan er dan toch maar naartoe. Hij heeft een paar plekjes gevonden, maar vindt het onze ook wel goed, dus verhuizen we ook de tent en installeren we ons opnieuw. Even naar de winkel, ontbijten en hup de Sesriem Canyon in. Uitgesleten door het water, terug gevuld met sediment en dan opnieuw uitgesleten en ondertussen al ongelofelijk lang terug droog.

Een beige omgeving met grotten en inhammen, lagen keien ingeperst tussen (zand)steen. In de namiddag trekken we naar Sossusvlei. Je rijdt door een dorre vlakte met struikgewas die langs beide kanten is afgezoomt met rode duinen. Roy en ik beklimmen Duin 45 (Filip moet het na een paar meter opgeven en besluit om beneden te blijven en foto’s te trekken).

Duin 45 dankt zijn naam aan een project om de duinen in kaart te brengen en wordt door veel toeristen ’s morgens bezocht om de zonsopgang te zien. Per toeval ligt hij ook op ongeveer 45 km van het begin van de weg op de camping. We rijden tot het einde van de geasfalteerde weg, parkeren de auto en trekken te voet verder.

De dode bomen van Deadvlei zullen we nooit zien. De weg die we nog moeten afleggen is te lang en we moeten op tijd het park uitzijn, dus vertrekken we, na hout gesprokkeld te hebben, terug naar de camping. We steken weer een kampvuurtje aan, halen nog wat bier in de bar en “genieten” van een kom soep en een portie noodles. Midden in de nacht begint het te motregenen of misschien beter gezegd, wordt de mist zo dicht dat hij neervalt. Roy kruipt in de auto, en Filip ook na een tijdje want door de gaten in z’n slaapzak (er zijn gensters van het kampvuur op gesprongen) is die helemaal doorweekt door het water.

Je kan de Namibische reisposts ook chronolosch lezen, dat lijkt logischer.

Dag 8: woensdag 25/4 Windhoek – Sossusvlei

Tijd om op te staan! Ontbijten, even tanken, even een plaats gaan reserveren op de bus van Uppington naar Jo’burg, even naar de bank en we zijn ermee weg. We rijden even terug richting Botswana om dan resoluut naar links af te slaan en voor gravel te kiezen. We rijden naar Arnhem Caves, de langste grottenformatie ter wereld. We komen aan bij een paar leegstaande bungalows, een leegstaande bar en een leegstaand huis. We kijken een beetje rond, maar er is echt geen levende ziel te bekennen op de kippen na. We beproeven dan maar ons geluk op het pad naast de afrastering. Nadat we 2 struisvogels hebben gezien geven we dat ook maar op want we worden geconfronteerd met een immense plas waar we met onze Toyota Corolla nooit doorkunnen. Dan rijden we maar verder naar Sossusvlei. Een beetje voorzichtiger, want er is precies iets mis met de remmen. We moeten een stukje terug en hebben dan een beetje moeite om de juiste gravelroad te vinden (kaarten zijn echt niet alles in Namibië), maar zitten uiteindelijk toch op de juiste weg naar Dorbabis. Onderweg komen we nog het half afgekloven skelet van een paard of zo tegen. We nemen er een hoop foto’s van, vooral het knuffeltje van Filip, dat overal met hem mee naartoe reist wordt zowat overal in het kreng geplaatst. Na een tijdje is de lol er toch een beetje af en rijden we verder naar Dorbabis. Ik denk dat ze daar nu nog over ons aan het praten zijn. We komen daar aan in het dorp, gaan veiligheidshalve tanken en slaan meteen ook maar wat voedsel in. Als we willen vertrekken komt er een zwarte aan met een stel gebeitste en verniste takken die hij aan ons wil verkopen als tafelversiering of zo. Na een tijd kunnen we hem er toch van overtuigen dat we geen plaats hebben in de auto voor die vreemde dingen en we vertrekken terug. Iets verder komen we in een kudde schapen terecht net voor we de (droogstaande) rivier schaap oversteken. Na een tijdje rijden we terug over een gepekte weg, maar daar moeten we nog trager rijden dan op de gravelroads, want de weg ligt vol met flessenglas, levensgevaarlijk voor onze banden. We rijden de snelweg terug op om hem in het volgende dorp al terug te verlaten en terug de gravel op te sjeezen. We zijn duidelijk op weg naar iets toeristisch, want als we stoppen voor ons kopje zonsondergangkoffie rijdt de ene na de andere toeringcar voorbij. Wij zetten onze reis ook verder, moeten in het pikkedonker een bergpas doen en weten dan weer niet helemaal zeker of we juist zitten. In Namibië kan je er meestal vanuit gaan dat je niet verkeerd zit, omdat er zo weinig wegen zijn dat je er moeilijk één kan missen, maar als je er één mist ben je nog veel verder van huis natuurlijk (en vooral van een bed). We zitten op de juiste weg. We stoppen even om de benen te strekken (om er later achter te komen dat er eigenlijk wel stevig wild vrij rondloopt dat ons met gemak had kunnen opvreten). Uiteindelijk komen we aan op de camping van Sesriem. Probleem: eigenlijk zijn de poorten van de camping al dicht, maar de (licht) mentaal gehandicapte bewaker wilt ons voor een fooi wel binnenlaten. We parkeren ons ergens, zoeken wat hout voor een vuur en drinken nog iets. Aangzien rijden toch vrij vermoeiend is, kruip ik zoals gewoonlijk als eerste in mijn slaapzak.

Je kan de Namibische reisposts ook chronolosch lezen, dat lijkt logischer.